Bewoning, landgebruik en landschapsontwikkeling: De Vechtstreek

Ongeveer 3000 jaar geleden veranderde de Vecht van een klein veenstroompje in een zijarm van de Rijn. De Rijn brak in het zuiden door en nam het oude veenstroompje op in zijn nieuwe route. Deze rivier nam op zijn lange weg vanuit de Alpen grond (grind, zand, leem en klei, afhankelijk van de grootte van de deeltjes) mee. Dat materiaal bereikte niet allemaal de zee. Bij overstromingen stroomde het water over het aangrenzende land en voerde die gronddeeltjes mee. Het zware grind haalde de oevers niet eens, en bleef op de rivierbodem achter. Zand en leem werden dicht bij de rivier op de oevers afgezet, terwijl de kleinere kleideeltjes verder met het steeds langzamer stromende water landinwaarts werden meegenomen. Dat zorgde ervoor, dat op de oevers kleine ruggetjes van zand en leem ontstonden: de oeverwallen. Landinwaarts vormden de kleine kleideeltjes een veel compacter pakket, de zogenaamde komklei in de lager gelegen komgebieden.

Zie ook:
De Vechtstreek: Oudste tijd
De Vechtstreek: Middeleeuwen
De Vechtstreek: Moderne tijd