De Vechtstreek: Middeleeuwen

De vroegste middeleeuwse ontginningen lagen vermoedelijk, net als de laat-prehistorische, op de oeverwallen. Zij moeten als horig goed zijn beheerd vanuit één van de domaniale hoven in de omgeving. We kennen bijvoorbeeld horige goederen van de abdij Werden in Nederhorst den Berg en Vreeland (zie geosite 12), en in de grotere regio ook die van de abdij van Elten. Een deel van die domaniale rechten van Werden ging later over op de bisschoppen van Utrecht, die van Elten rechtstreeks op de Van Amstels, tevens bisschoppelijk dienstman. In de achtste eeuw stonden er minstens al kerken in Breukelen en Nederhorst den Berg, en was ook Zwesen bewoond. Een eeuw later waren er ook kerken in Loenen, Muiden en Naarden. Voor het midden van de elfde eeuw kwamen daar Weesp, Nigtevecht en Abcoude bij.

Na die vroege fase zijn enkele broek- en bosveenlandschappen ontgonnen, leidend tot onregelmatige strokenverkavelingen, zoals in de Aetsveldse polder (zie geosite 4 en geosite 5). Dit zou zich in de tiende of elfde eeuw afgespeeld kunnen hebben. Vanaf de elfde eeuw zullen toenemend systematisch de aangrenzende veengebieden zijn ontwaterd en ontgonnen, door het uitzetten en graven van sloten haaks op de ontginningsassen. In deze zogenaamde copen groef men net zolang door tot men het hoogste punt van het veen bereikt had óf men tegen de zij- of achterkade van een oudere veenontginning stootte. Door ontwatering van de bovenste veenlaag kwamen nutriënten vrij waardoor de agrarische bedrijven konden bloeien. Een continue ontwatering betekende echter ook oxidatie van het veen, zodat het maaiveld steeds lager kwam te liggen en de gemengde bedrijven steeds meer op veeteelt moesten omschakelen. Gebruik van de lage landerijen als akkerland was immers niet meer mogelijk.

De rivier heeft tot ver in de middeleeuwen nog een hoge dynamiek gekend. Bochten werden regelmatig verlegd. In enkele gevallen zorgde winderosie voor een oostelijke verplaatsing en verwijding van bochten, waardoor het Naardermeer en Horstermeer zich konden uitbreiden. Het Naardermeer werd vervolgens in 1383-1389 afgesloten van de Vecht. Tot de bedijking in 1629 kon het meer zich nog uitbreiden, alhoewel dat in de praktijk naar het oosten niet meer mogelijk was door de ondiep liggende zandondergrond van het Gooi (zie geosite 1-3).

Invloed van de zee
Die invloed van de zee op de rivierdynamiek is steeds een rode draad geweest in het temmen van de Vecht. Hoog tij zorgde tot ver in de late middeleeuwen niet alleen voor opstuwing van het rivierwater en daarmee overstromingen van de Vecht in het binnenland, maar ook voor het indringen van brak water tot ver in het binnenland. Vooral na het ontstaan van de Zuiderzee in de dertiende eeuw was dat een steeds groter probleem geworden. In 1437 werd, om het overstromingsprobleem in elk geval bovenstrooms op te lossen, de Hinderdam gebouwd, waarin ook een sluis aanwezig was (zie geosite 4 en geosite 5). In 1672 werd deze opgevolgd door de zeesluizen in Muiden, waardoor ook het benedenstroomse deel van de Vecht verlost was van de sterkste invloed van de zee (zie geosite 10 – 11).