De Vechtstreek: Moderne tijd

Afwatering en bemaling
De Vecht was de centrale afwatering van de streek, voornamelijk het gebied ten oosten van de rivier zelf. Dat gold zowel voor de venen ten tijde van de ontginningen als voor de latere bemalen polders. Zo herkennen we dat van noord naar zuid de Muider polder, Nieuwe Keverdijkse polder, Broeker polder, Kuijer polder, Hornpolder, Dorssewaardpolder, Loenerveense polder, Mijndense polder alsmede stroomafwaarts een groot aantal Utrechtse polders ontgonnen zijn vanaf de oeverwallen langs de oostelijke oever van de Vecht. Andere polders, zoals die van Loosdrecht en Nieuw-Loosdrecht, zijn ontgonnen door vanaf de Vecht de Drecht in te trekken en van daaruit de kavels uit te zetten (zie geosite 36-42). Ankeveen is vermoedelijk een afwijkende veenontginning, die vanaf een hogere zandrug die door het veen heen kwam, ontgonnen is (zie geosite 14-16).
Naarmate het maaiveld door oxidatie verder daalde, was het noodzakelijk geworden om tot bemaling door windkracht over te gaan. Wat opvalt is dat men veelal niet direct naar de Vecht maalde, maar meren en andere water als boezem gebruikte en daarop maalde. Zo werd er in 1555 een overeenkomst gesloten om een watermolen te plaatsen in de Keverdijkse polder aan de Keverdijk, d.w.z. met bemaling op het Naardermeer (zie geosite 1-3). Toch maalden er wel molens direct naar de Vecht zelf. In 1652 werd een bestek voor een molen voor de Kuijerpolder gemaakt. Die stond aan de Vechtdijk, waarbij gezegd moet worden dat voor de scheepvaart niet de Vecht zelf, maar de Reevaart toen de hoofdroute was (zie geosite 12).

Recreatie, drinkwater en transport
De Vecht was niet alleen van waterstaatkundig belang, maar ook als ‘lustoord’ van de welgestelden. Vooral in de zeventiende eeuw groeide het aantal buitenplaatsen langs de Vecht snel. Omdat de rijken die hier buitenplaatsen lieten aanleggen voornamelijk uit Utrecht kwamen, lag het zwaartepunt ten zuiden van Vreeland. Noordelijk ervan lagen nog wel enkele buitenplaatsen, maar veelal waren dat voortzettingen van oudere kastelen, zoals het Huys te Nederhorst (zie geosite 12). Wel lagen op de westelijke oever van de Vecht bij Nigtevecht nog enkele buitenplaatsen. De buitenplaatseigenaren speelden vervolgens weer een belangrijke rol in de ontwikkeling van de streek. De heer van Nederhorst, Godard van Rheede (1588-1648), zorgde bijvoorbeeld voor de aanleg van een bochtafsnijding van de Vecht (1629) en was tevens initiatiefnemer voor de eerste inpoldering van het Naardermeer (1623-1629) (zie geosite 1-3 & geosite 12).
Amsterdam was voor zijn drinkwater mede afhankelijk van de Vecht. Vanaf de zestiende eeuw brachten schepen zoet water naar de stad. De Vecht was de meest dichtbije plek waar dergelijk water vandaan gehaald kon worden. Na de aanleg van de zeesluizen bij Muiden werd dit ‘waterwingebied’ nog vergroot (zie geosite 4, geosite 5, geosite 10-11).
De Vecht is als zijarm van de Rijn vele eeuwen de belangrijkste verbinding vanaf de Rijn of vanaf Utrecht naar het noorden geweest. De economische rol blijkt onder meer uit de vroege tolplaatsen die er lagen, onder meer te Muiden (zie geosite 10-11). Geleidelijk greep de mens ook in het riviersysteem zelf in. Plaatselijk werden in de zestiende en zeventiende eeuw afsnijdingen gemaakt, zoals bij de Hinderdam en Nederhorst den Berg (zie geosite 4, geosite 5, geosite 12 & geosite 13). Die economische functie bleef tot ver in de negentiende eeuw voortduren. Nog in de periode 1821-1825 vormde de Vecht tussen Utrecht en Weesp een deel van de Keulse Vaart van Utrecht naar Amsterdam (zie geosite 4 & geosite 5). De route naar Muiden bleef overigens ook gewoon functioneren als route richting Zuiderzee. De belangrijkste klap voor het gebruik van de Vecht volgde in 1892, toen het Merwedekanaal werd geopend. De Vecht werd vanaf toen volledig ontweken. Vooral in de twintigste eeuw veranderde functie van de Vecht vooral richting recreatie.

Zandwinning / Ontginning van veengronden / Winning van brandstof / Droogmakerijen en polders / Waterlinies