Bewoning, landgebruik en landschapsontwikkeling: Het Gooi

Van de zandgronden zijn losse vondsten bekend van vuurstenen afslagen van verschillende paleolithische culturen. Vanaf het Mesolithicum neemt het aantal vondsten sterk toe en in de jonge steentijd (Neolithicum), vanaf ca 4500 jaar v. Chr., is sprake van sedentaire bewoning. De begroeiing van de zandgronden bestond tot dan toe hoofdzakelijk uit loofbossen, want de kleine, zwervende gemeenschappen verstoorden de vegetatie maar in geringe mate. Kenmerkend voor het laat-neolithicum en de daaropvolgende periode, de bronstijd, zijn de opgeworpen grafheuvels. De grafheuvels liggen meestal in groepjes bij elkaar; ze zijn nu bijna alle beschermde archeologische monumenten. De bewoning in de bronstijd is gegroepeerd in een aantal boerderijen op de open plekken in het bos. Bij de overgang van zwerflandbouw naar raatakkerbouw neemt de invloed van de mens op het landschap toe. Een raatakkker (ook Celtic field genoemd) is een kleine, min of meer vierkante of rechthoekige aaneensluitende akker. Bossen worden gekapt en de pioniervegetatie heide verspreidt zich over de kale zandgronden. De vingerafdruk van de mens op zijn omgeving krijgt meer en meer zijn beslag. Met de sedentaire landbouw in het Gooi begint in dit gebied het Antropoceen.

Bij ‘brinken’, kleine velden waar het vee wordt verzameld en van waaruit het vee naar de heidevelden wordt gedreven, ontstaan de nederzettingen: Blaricum, Laren, Bussum, Huizen en Hilversum dateren uit de 8ste en 9de eeuw. Buiten de dorpen liggen aaneengesloten bouwlanden, de engen. De plaggen van de hoger gelegen ‘woeste gronden’ worden gemengd met dierlijke mest uit de potstallen en op het bouwland gebracht waardoor de vruchtbaarheid van de eng verbetert. De laagstgelegen delen van het landschap worden gebruikt als weiland of hooiland: de meenten of maatlanden. Dit zijn gemeenschappelijke gronden die beschikbaar zijn voor de boeren op basis van oude gebruiksrechten. Op de woeste gronden komen onder meer de boomsoorten berk, els, hazelaar en eik voor. Met het kappen van de bomen, het steken van plaggen en door overbeweiding, wordt de vegetatie op de zandgronden in de late middeleeuwen hoofdzakelijk een monocultuur van heide. Her en der zet de degradatie van het landschap nog verder door en ontstaan vlakten met stuifzanden. Op kleine schaal wordt grind, zand en leem gewonnen uit de stuwwallen. Hoewel sterk beïnvloed door latere stedelijke ontwikkelingen, de herbebossing en park- en landgoedaanleg is dit voor het Gooi kenmerkende oude cultuurlandschap nog altijd goed zichtbaar.

Zie ook:
Het Gooi: Oudste tijd
Het Gooi: Middeleeuwen
Het Gooi: Moderne tijd