Drinkwater

Amsterdam was voor zijn drinkwater mede afhankelijk van de Vecht. Vanaf de zestiende eeuw brachten schepen zoet water naar de stad. De Vecht was de meest dichtbije plek waar dergelijk water vandaan gehaald kon worden. Na de aanleg van de zeesluizen bij Muiden werd dit ‘waterwingebied’ nog vergroot (zie geosite 4, geosite 5, geosite 10-11).
In het eerste kwart van de 20ste eeuw worden pogingen gedaan om de Bethunepolder, gelegen tussen de Loosdrechtse en Maarsseveense Plassen, droog te houden. Als dat mislukt besluit het Gemeentelijke Waterleidingbedrijf van Amsterdam in 1930 het opwellende kwelwater te gebruiken voor de drinkwatervoorziening van de stad. Er worden waterlopen aangelegd die het water transporteren naar de Waterleidingsplas, een onderdeel van de Loosdrechtse Plassen. Voor de drinkwatervoorziening wordt ook steeds meer grondwater direct uit de stuwwallen gewonnen. De bebouwing van het Gooi neemt tegelijkertijd sterk toe waarbij regenwater via de riolen versneld wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. De aanvulling van het grondwater neemt af en er wordt ondergronds minder water naar de Vechtstreek afgevoerd. In de jaren 1990 zijn de winningen op de stuwwallen grotendeels beëindigd en verplaatst naar Flevoland. Op lokale schaal heeft dit in het Gooi geleid tot stijging van de grondwaterstand en de totale hoeveelheid grondwater dat naar en door het veengebied stroomt neemt weer toe.
Zie ook:
Overstromingen
Grond- en kwelwater
Transport
Toekomstige uitdagingen