Overstromingen

Hoog tij zorgde tot ver in de late middeleeuwen niet alleen voor opstuwing van het rivierwater van de Vecht en daarmee voor overstromingen in het binnenland, maar ook voor het indringen van brak water tot ver in het binnenland. Vooral na het ontstaan van de Zuiderzee in de dertiende eeuw was dat een steeds groter probleem geworden. Het zeewater kwam bij stormen ver het land in via de loop van de Vecht, een enkele keer zelfs tot in de stad Utrecht. Vanaf het einde van de 13de eeuw werden daarom langs de Zuiderzee en de Vecht dijken aangelegd. Tussen Valkeveen en Huizen, waar de stuwwal van ‘t Gooi aan de voormalige Zuiderzee grenst, kon de aanleg van een zeedijk achterwege blijven. In 1437 werd om het overstromingsprobleem in elk geval bovenstrooms op te lossen een dam in de Vecht aangelegd waarin ook een sluis aanwezig was (de Hinderdam, zie  geosite 4 en geosite 5). In 1672 werd deze opgevolgd door de zeesluizen in Muiden, waardoor ook het benedenstroomse deel van de Vecht verlost was van de sterkste invloed van de zee (zie geosite 10-11).

muidersluis

Deze Grote Zeesluis had naast een waterkerende ook een belangrijke strategisch-militaire functie in de Oude Hollandse Waterlinie, een systeem van inundaties in laag Holland. De waterlinie loopt van het Muiderslot in het noorden aan de monding van de Vecht tot slot Loevestein aan de rivier de Waal in het zuiden. Het inrichten van de veenpolders als inundatievlaktes is een uitermate doeltreffend onderdeel van de verdedigingslinie. Het veen dat onder water wordt gezet wordt zompig en verliest nog meer van de toch al geringe draagkracht. De aanwezige sloten worden onzichtbaar wat een overtocht bemoeilijkt. De eerder door vervening ontstane waterplassen zijn ook onderdeel van de waterlinie.

Zie ook:
Grond- en kwelwater
Drinkwater
Transport
Toekomstige uitdagingen