Geosite 1-3 Naardermeer ©

Het Naardermeer geniet landelijke bekendheid als eerste natuurgebied van de Vereniging Natuurmonumenten (1905). Dat het gebied ook aardkundige en daarmee verbonden cultuurhistorische waarden heeft, weten veel minder mensen. Om wat voor soort waarden gaat het daarbij?

Ontstaan van het meer
Het ontstaan van het Naardermeer kunnen we niet los zien van de vlakbij gelegen Vecht. Deze rivier meandert (kronkelt) sterk en deed dat zo’n 2000 jaar geleden ook al. De stroming en de zuidwestenwind zorgden voor verplaatsing van de rivierbocht. Voor het ontstaan van een meer waren vervolgens wind en golfslag nodig. Deze natuurkrachten werkten in op het slappe veen in de buitenbocht van de rivier. Dit veen, dat gemakkelijk weggeslagen kon worden, lag in een gebied waar veel grondwater uit de ondiep gelegen zandondergrond naar boven welde (‘kwel’).

Het wegslaan van het veen en daarmee de uitbreiding van het meer stopte in de zone waar het veenpakket te dun werd en de steviger zandbodem dichter aan het oppervlak lag. Dat bepaalde uiteindelijk de oostelijke afronding van de veenplas. Met kades werd dit natuurlijke fenomeen uiteindelijk in de zeventiende eeuw door mensenhanden vastgelegd. Nadien zorgde vooral verlanding ervoor dat het meer wat kleiner werd (figuur 1). In zekere zin gaat het geologisch proces dus nog altijd door.

Afsluiting van een actief systeem

In 1383 en 1389 werden sluizen gebouwd. Deze sloten het Naardermeer af van het rivierwater van de Vecht. Tot die tijd bestond er dus een open verbinding tussen het meer enerzijds en de Vecht en Zuiderzee anderzijds. Met de bouw van de sluizen stopte de afzetting van (rivier- en zee)klei aan de westzijde van het Naardermeer. Dit deel van het Naardermeer verlandde daardoor deels. Deze ontwikkeling verklaart de verschillen in ondergrond van het meer tussen het westen (klei) en oosten (zand).

Vechten tegen de natuur
Grofweg in de periode 1000-1200 werden de veengebieden rondom het Naardermeer door de mens in cultuur gebracht om er landbouw op te kunnen plegen. Vanaf 1561 werd nagedacht over een drooglegging van het meer zelf, om het hele gebied als landbouwgrond te kunnen gebruiken. In 1614 vond de verkoop van een deel van de moerassige oever plaats. Die werd tot landbouwgrond ontgonnen. Deze ontginningen, in de omgeving van het bezoekerscentrum van Natuurmonumenten, zijn daarna altijd blijven bestaan. In 1623-1626 werd een sluitende bedijking, de Meerkade, aangelegd met het oog op drooglegging van het meer (zie basistekst ‘droogmakerijen en polders’). Vanaf dat moment is door de eeuwen heen meerdere malen geprobeerd het meer droog te leggen. Agrarisch gebruik en turfwinning waren de belangrijkste redenen. Het gebruik als cultuurland werd echter steeds opgegeven, op de ontginning uit 1614 na. Soms was de aanleiding militair van aard, zoals in 1629. Toen werd het gebied weer onder water gezet om Amsterdam onbereikbaar te maken voor de vijand. Veelal waren de natuurlijke omstandigheden echter de reden. Kort na 1809 werd een poging gestaakt vanwege de slechte kwaliteit van de turf. De inpoldering van 1886 werd opgegeven door invloed van brak water uit de Zuiderzee en de slechte bodemchemische toestand. Bij die poging was het zuidoostelijke deel (tegen de Gooise stuwwal) al buiten de werkzaamheden gelaten. Daar welde zoveel water uit de bodem omhoog dat de drooglegging kansloos geacht werd. Het Naardermeer is daarmee de tegenhanger geworden van de Horstermeerpolder. Deze werd in dezelfde periode drooggelegd en bleef wel bestaan (zie geosite 17). Nog aanwezige landschappelijke en gebouwde relicten bij het Naardermeer, zoals de molen De Onrust (1809), getuigen van de strijd van de mens tegen de moeilijke aardkundige en hydrologische omstandigheden (figuur 2). Dat het meer sinds 1905 beschermd wordt als natuurmonument is om dat de mens in die jaren ‘de mooie en gezonde natuur’ als tegenhanger van ‘de lelijke en vuile stad’ ging waarderen.

De natuur is leidend
In 1905 kocht de pas opgerichte Vereniging Natuurmonumenten het meer aan vanwege de hoge ecologische waarde ervan. Een gebruik als stortplaats van Amsterdams huisvuil was toen al afgewend. In de randzones van het meer vindt door natuurlijke processen herstel van veen plaats (figuur 3).

Opgesomd: wat herkennen we nog?

  • Het Naardermeer als natuurlijk meer, ontstaan vanuit een rivierbocht, met zijn ecologische waarden en veenherstel langs de randen.
  • Relicten van de verschillende ontginningspogingen, zoals kade- en groenstructuren met bijbehorende afwateringssloten, eendenkooien, boerenerven met omringend cultuurlandareaal (1614), overblijfselen van het tochten- en slotenpatroon uit 1883-1886, een molen (1809) en een stoomgemaal (1883).
  • Relicten van het militair gebruik van het gebied, zoals de forten langs de Karnemelksloot (1873). Watergang (tocht) met huisplaats van de Visschersplaats, als getuigenis van de uitwatering en gebruik van het meer.

Beheerder: Natuurmonumenten https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebieden/naardermeer

Links: https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Water_Bodem/Aardkundig_erfgoed/Publicaties/Brochure_Aardkundige_monumenten.pdf