Geosite 23 Leemkuil ©

Het kenmerkende heuvelachtige landschap van Het Gooi is er niet altijd geweest. De heuvels ontstonden in de voorlaatste ijstijd, het Saalien (320.000 tot 126.000 jaar geleden), toen het landijs vanuit Scandinavië de onderliggende bodem opstuwde tot zogenaamde stuwwallen. De Tafelbergheide en de Blaricummerheide liggen nu op de hoogste delen van die stuwwallen. De leemkuilen die hier op de heide liggen, verraden nog iets uit tijd van vóór de stuwwal en de processen die zich na die tijd in de bodem afspeelden.

leemkuil

Zand, leem en grind in lagen
De grond waaruit de stuwwallen bestaan, bestond al veel eerder. In oudere ijstijden was het door de voorlopers van Rijn, Maas en Overijsselse Vecht meegenomen. Als in de zomer de sneeuw smolt konden die rivieren uitgroeien tot kilometers brede stromen, die grote delen van Nederland overdekten.
Vanuit het nauwelijks begroeide achterland spoelden grote massa’s zand, grind en leem mee. In Nederland werd in de loop van vele duizenden jaren een honderden meters dik pakket van deze materialen afgezet. Door de ijsopstuwing liggen deze lagen niet meer netjes onder elkaar. Ze zijn scheef gezet en op de stuwwallen komt er nu eens een lemige laag, dan weer een grindige laag en dan weer een pure zandlaag aan het oppervlak. De lagen zijn zo opgestuwd, dat ze nog de richting volgen van het vroegere ijsfront. Ze volgen de ‘strekkingsrichting’ van de stuwwal (figuur 1 en 2).

leemkuil

Woongebied
Na de ijstijd, vanaf ongeveer 10.000 voor Christus, werd het langzaam warmer en werd het klimaat gelijkmatiger. Op de stuwwallen groeiden bossen. Vooral gebieden met leem waren relatief vruchtbaar. In de leem zaten kleine hoeveelheden mineralen en kalk in de vorm van schelpjes. Doordat mineralen en kalk langzaam verweren en oplossen, komen voedingsstoffen vrij voor planten. Om deze reden was deze omgeving al in de prehistorie bewoond. Het was mogelijk om hier landbouw te bedrijven.

Kalktransport naar de diepte
In de loop van duizenden jaren raakte langzamerhand de voorraad kalk in de bodem opgebruikt. Het Nederlandse klimaat speelt hierbij een rol. Doordat er meer regenwater valt dan door bomen en planten verdampt, is er in de bodem een neerwaartse waterstroom die de opgeloste kalk en mineralen naar de diepte transporteert. De bovengrond werd daarbij zuurder en armer. In diepere bodemlagen kon de kalk weer tussen de zandkorrels neerslaan. Daarbij raakten de zandkorrels aan elkaar gekit. Zo ontstond kalkzandsteen. In sommige Gooise zandgroeven kwam men brokken kalkzandsteen tegen. Er liggen een paar grote blokken ten westen van de Blaricummerheide, aan de overzijde van de N527 (figuur 4).

leemkuilen

Leemkuilen
Vanaf de middeleeuwen werden de leemlagen interessant voor de Gooise boeren (figuur 3). Tussen de zware gebinten van hun boerderijen bestonden de wanden uit vlechtwerk van takken, die ze met leem dicht smeerden. Ook konden ze er dorsvloeren mee aanleggen, of hun erf mee verharden. Doordat er generaties lang in de leemlagen werd gegraven, ontstonden er grote kuilen op de heide.

leemkuilen

De leemkuilen bevatten nog altijd meer mineralen en kalk dan de bovengrond. Daardoor groeien er in de kuilen bijzondere planten, zoals Wilde Tijm, Kruisdistel, Wilde Roos, Grasklokje, Geelhartjes, Hondsviooltje of Vleugeltjesbloem. Schapen en runderen die op de heide grazen zijn er dol op, maar deze planten zijn erg gevoelig voor betreding. Daarom beschermt het Goois Natuurreservaat sommige kuilen met een raster.

Opgesomd: wat herkennen we nog?

  • Heidevegetatie, die hoort bij verarmde zandgronden.
  • Leemkuilen waarvan de richting de strekkingsrichting van de stuwwal markeert (zie ook geosite 28).
  • Omrasterde leemkuilen met kwetsbare vegetatie.
  • Kalksteenbrokken in de berm van de N527.

Beheerder: Goois Natuurreservaat https://gnr.nl/de-natuur-in/gebieden/blaricummerheide/