Het Gooi: Middeleeuwen

Vroege Middeleeuwen
In de vroege middeleeuwen bleef de bewoningsvoorkeur voor de gestuwde rivierafzettingen bestaan. Waarschijnlijk werden deze gebieden opnieuw in gebruik genomen. Tot in de dertiende eeuw werd er hoog op de stuwwal gewoond, zoals blijkt uit nederzettingsvondsten uit de twaalfde en dertiende eeuw bij de Aardjesberg en de Lange Heul (zie geosite 24-25). Toch behoorden de hooggelegen gestuwde rivierafzettingen niet meer tot de favoriete vestigingslocaties. Vanaf ca. de 8e eeuw kwam er steeds meer belangstelling voor de natte gebieden rond Het Gooi. Waarschijnlijk als gevolg van een hogere organisatiegraad in de Karolingische tijd en door betere ontwateringstechnieken slaagde men er in de natte gronden geschikt te maken voor akkerbouw en ook bewoonbaar te maken. De groei van de bevolking noopte daartoe. Behalve hogere opbrengsten moeten de vochtigere gronden ook producten hebben geleverd waar, ook op Europese schaal, meer vraag naar ontstond. De ontwikkeling zette zich voor in de Late Middeleeuwen. Zo nam (vooral vanaf 1300) de vraag naar slachtvee (vetweiderij), veevoer (teelt haver), en mout (teelt gerst) toe. Dit zijn typisch producten van de natte gronden. Hoog gelegen nederzettingen op de rijkere gronden verdwenen (zoals die op de Aardjesberg en de Lange Heul) of verschoven naar de overgang met de lagere, natte gronden. Exemplarisch is Laren, waar ter plekke van het hoog gelegen Janskerkhof ooit de Larense Vituskerk stond (zie geosite 26). De dorpskern ontwikkelde zich in de loop van de middeleeuwen echter veel lager. De hoge plek bleef echter in gebruik als begraafplaats. Ook Bussum had een hoger gelegen oude kern (Oud- of Laag-Bussum), die in de loop van de zestiende eeuw aan belang inboette. De nederzetting verdween op één boerderij na, terwijl Laag-Bussum (het huidige Bussum) opkwam. De akkers (engen) van de lager gelegen dorpskernen bleven echter voor een groot deel gebonden aan de flanken van de stuwwallen met moderpodzolen. De kern van Hilversum ligt nog steeds op de top van een stuwwal.

Plaggenlandbouw, antropogene bodems
Hoewel de akkers zich op de rijkere zanden bevonden, was de nutriëntenrijkdom nog altijd erg laag vergeleken met de ontwaterde broek- en veengebieden rond het Gooi. Een belangrijk principe van de middeleeuwse landbouw op zandgronden was dat de nutriënten van een groot gebied werden geconcentreerd op een veel kleiner akkerareaal. Om mest te verzamelen werd vee geweid in het bos, op de heide en op de lagere groenlanden. In de loop van de Middeleeuwen ging men ertoe over het vee ’s avonds bijeen te brengen en de mest en urine op te vangen in strooisel, zodat er minder voedingsstoffen verloren gingen. Later gebeurde dit in potstallen. Het strooisel werd gewonnen door plaggen te steken uit de zode van bos en heide. Het mengsel van mest en plaggen, door dierenhoeven goed vermengd, werd over de akkers verspreid. De aanvankelijk dikke strooisellaag van bos en heide werd door dit gebruik steeds dunner. Gevolg was dat vanaf de vijftiende en zestiende eeuw er steeds vaker zand mee kwam met de plaggen. Door eeuwenlang opbrengen van deze zandige plaggenmest kregen de akkers een hogere ligging. Er ontstond een voor de gewassen gunstig ‘plaggendek’ dat tot 80 cm dik kan zijn.

De gebruiksrechten op de onverdeelde gronden
Buiten de ontgonnen akkers waren de bossen, de heide en de lager gelegen natuurgraslanden van groot belang voor de Gooise boeren. Daarom hebben de voornaamste grondeigenaren en machthebbers (het klooster te Elten en later de graven van Holland) altijd de gebruiksrechten van de boeren geëerbiedigd. Door de groei van de bevolking werd de druk op die onverdeelde (of gemene) gronden steeds groter. Dat was de reden dat de boeren zich hechter gingen organiseren en tot een marke-organisatie kwamen (gemene waerscip van Goylant). Buitenstaanders en nieuwkomers moesten worden geweerd en vooral “gewaarde” boeren (met landbezit) kregen rechten om te begrazen en te plaggen. Het gebruik van de onverdeelde heide en de graslanden werd geregeld in zogenaamde schaarbrieven, overeengekomen met- en uitgevaardigd door de graaf van Holland. De oudst bekende stamt uit 1404, gevolgd door die van 1442 en 1455. De marke-organisatie werd vanaf de zeventiende eeuw Vergadering van Stad en Lande van Gooiland genoemd en de gerechtigden werden als erfgooiers aangeduid.

Gooierbos
Middeleeuwse bossen en bosrestanten moeten in de middeleeuwen (wat de hogere gronden betreft) vooral op rijkere zanden (moderpodzolen) hebben gelegen. Mogelijk waren dat oerbosrestanten, maar ook op plekken die vanaf de middeleeuwen ontvolkt raakten, kan zich bos hebben gevormd.
De Gooise boeren hadden gebruiksrechten op dit bos. Al eerder dan de bovengenoemde marke (die het gebruik van heide, weiden en venen regelde), was er een bosmarke. Deze was werd in 1364 geformaliseerd door het op schrift stellen van een bosbrief. In de opeenvolgende bosbrieven stonden regels over kap, gerechtigden en gebruik van het hout. In de vijftiende en zestiende eeuw bestond er onvoldoende duidelijkheid over het bevoegd gezag en reglementering. Ontbrekende handhaving leidde er toe dat niet alleen de gerechtigden maar ook derden vrijwel zonder toezicht het bos gebruikten. Als gevolg hiervan was het Gooiersbos op het eind van de zestiende eeuw verdwenen. De laatste bosbrief stamt uit 1514. De gronden gingen op in die van Stad en Lande van Gooiland.


Het Gooiersbos, uitsnede van een kaart van het Gooi in 1597, door Floris Jacobsz. Op de kaart staan de eigendommen van de bosmarke, maar het bos het bos is al verdwenen, behoudens enkele kleine restanten aangegeven met groene puntjes, in de buurt van de Hoorneboeg.

Heide, vennen en stuifzand
Als gevolg van begrazing en plaggen veranderde het landschap buiten de engen in de loop van de middeleeuwen net als in de prehistorie weer veel meer in uitgestrekt heidegebied. Schapenhouderij werd een belangrijke bedrijfstak op het Gooi. Naarden werd vanaf de vijftiende eeuw een belangrijke lakenstad en daardoor was er vraag naar wol. De Gooise boeren gingen zich toeleggen op het houden van schapen en het bewerken van wol. Omstreeks 1500 worden de bewoners van de Gooise dorpen omschreven als herders, spinners, kaarders en spitters (staat waarschijnlijk voor plaggen steken). Aan de bloei kwam een eind in 1572 met de plundering en uitmoording van Naarden door de Spanjaarden.