Het Gooi: Moderne tijd

Maar in de eeuwen die volgden nam de lakennijverheid weer toe. Ook in de dorpen kwamen lakenweefgetouwen, vooral in Hilversum, dat vanaf 1650 via de Gooise Vaart goed bereikbaar was geworden. Als gevolg van de grote begrazingsdruk in deze eeuwen verdwenen ook op de rijkere zandgronden de bosrestanten en ontstond een landschap van uitgestrekte en open heide met hooguit enkele bosjes, struwelen en solitaire bomen. Op de rijkere zanden herinnerden alleen grafheuvels en patronen van raatakkers er nog aan dat deze gronden ooit bewerkt en bewoond zijn geweest.
Op de armere zanden kon het podzolisatieproces zich voortzetten en werden door het plaggen en begrazen nog extra nutriënten onttrokken. Als de verarmde zandgrond van vegetatie werd ontdaan (door plaggen of door kapotrijden met karren) kon deze gemakkelijk gaan verstuiven (zie geosite).
Plaatselijk lagen er veentjes op de heide, op plekken waar de podzol-B van de humuspodzol water stagneerde. Uit onderzoek aan het ven op de Monnikenberg blijkt dat veengroei begon in het derde millennium voor Christus. Het veen werd afgegraven vanaf de vijftiende tot de zeventiende eeuw, zodat er vennen ontstonden. Bekendste vennen zijn het Laarder Wasmeer (zie geosite 18) en het Hilversums Wasmeer.

Bijen
Een belangrijke nevenfunctie van de heide was de bijenteelt. Ooit waren er op het Gooi 86 bijenschansen die goed waren voor 5000 tot 6000 korven. Een bijenschans bestond uit een begroeide aarden wal van ongeveer 10 bij 10. In de beschutte laagte binnen de wal stonden de korven. Ook leemkuilen konden als bijenschans dienen (www.bijenschanscorversbos.nl). Bijenschansen stonden vaak op de heide, dicht bij de randen van de engen. Op één na (Corversbos, zie geosite 40) zijn ze buiten gebruik geraakt en niet meer herkenbaar. Van één exemplaar zijn de wallen nog goed herkenbaar (zie geosite 7).

Weidegronden (meenten) op de lagere gronden
De gebruiksrechten van de erfgooiers lagen ook op de lagere gronden. Vanaf de middeleeuwen verdwenen broekbossen en veenmoerassen om plaats te maken voor gemeenschappelijke weidegronden. Deze gronden werden als meenten aangeduid en staan als zodanig ook op historische kaarten (niet te verwarren met de organisatievorm van boeren, die ook wel meent werd genoemd). Deze gronden waren voedselrijker en geschikt voor beweiding met rundvee. De meenten waren van grotere belang voor de agrarische bedrijfsvoering.

Net als elders op de Nederlandse zandgronden werden in de 19e en 20e eeuw bossen gezaaid en geplant op de heidegronden. Alle Gooise bossen zijn te zien als jonge heidebebossingen. Kenmerkend voor het Gooi was daarnaast de sterke groei van de bevolking, niet alleen door natuurlijke aanwas, maar ook door import. Anders dan de natte omgeving van het Gooi waren de droge gronden uitstekend geschikt om te bouwen. Het licht golvende landschap, de nieuw aangeplante bossen en de nabijheid van grote steden als Amsterdam maakten het gebied aantrekkelijk om villa’s te bouwen. Dorpen groeiden allereerst uit over de omliggende engen, maar de behoefte om heide te bebouwen nam toe. Ook ontstond behoefte om heidegronden uit te geven voor zandwinning. De rechten op de heide lagen echter bij Stad en Lande van Gooiland. Doordat gemeenten veel stemrecht hadden in deze vereniging werden veel gronden afgestaan voor dergelijke doelen. Conflicten tussen erfgooiers enerzijds en bestuurders en gemeenten anderzijds waren het gevolg. Het leidde uiteindelijk tot de Erfgooierswet die in 1912 door de Tweede Kamer werd aangenomen. Alle toen nog gemene gronden (3260 ha) kwamen in bezit van de Vereniging.
In de eerste helft van de twintigste eeuw groeide de belangstelling voor het natuurschoon van deze gronden. In 1925 verscheen een rapport van de Centrale Schoonheidscommissie voor het Gooi, die de Gooise gemeenten opriep om in uitbreidingsplannen meer aandacht te schenken aan het behoud van natuurschoon. In 1933 presenteerde Dudok het definitieve uitbreidingsplan voor Hilversum, het zogenaamde Beëindigingsplan, dat was gericht op voltooiing van de stad en behoud van natuurschoon. In datzelfde jaar werd 1524 ha heide en bos verkocht aan de nieuw opgerichte Stichting Gooisch Natuurreservaat (GNR).
Daarna bleven vooral de lagere meentgronden nog onverdeeld. Deze gronden, waar koeien ingeschaard, vertegenwoordigden een hogere waarde voor de boeren. Ook deze gronden waren echter steeds meer nodig om op te bouwen. Er werden gronden aangekocht en onteigend, waaronder de Oostermeent onder Blaricum en Huizen (in respectievelijk 1963 en 1965). In 1971 werd de Vereniging Stad en Lande van Gooiland opgeheven en werden de gronden verkocht, deels aan gemeenten die gingen bouwen, deels ook aan boeren die hun bedrijf wilden voortzetten. De opbrengst kwam aan de erfgooiers.

kaart gooiland
De kaart van het Gooiland, ook wel bekend staand als de Kaart van Perk. Albertus Perk speelde een belangrijke rol bij de onderhandelingen tussen de erfgooiers en de rijksoverheid in 1834. De erfgooiers kregen toen het volle eigendomsrecht over de weiden en een deel van de heiden (bijna 3700 ha). Deze staan aangegeven op de kaart. Nog altijd bestaan de roze gebieden overwegend uit heidevelden. Domeinen kreeg 1735 ha met de rest van de heiden en de bossen. Kaart gemaakt door het Kadaster. Noord-Hollands Archief.