Het Gooi: Oudste tijd

Mesolithicum
In het laat-mesolithicum bestond het bos uit iep, eik, es en linde (doorklik naar informatie over de vegetatieontwikkeling – pollendiagram, met daarin de ontwikkeling van de vegetatie). In het algemeen wordt aangenomen dat deze bossen zich vrij ongestoord konden ontwikkelen en geen grote open plekken kenden. Hooguit was het bos op de armere dekzanden – vooral in de randzone van het Gooi minder – zwaar en gesloten dan op de wat rijkere gronden van de stuwwallen. Juist in het Gooi (omgeving Laarder Wasmeren, zie geosite 18) is aan de hand van mesolithische zandverstuivingen aangetoond dat dit standaardbeeld niet overal op gaat. De armere zanden moeten plaatselijk gedurende langere perioden ontdaan zijn van bos, waardoor een heide- of schraalgrasland vegetatie ontstond. Hier ontstonden humuspodzolen die plaatselijk gingen verstuiven. Waarschijnlijk was de ontbossing het gevolg van bosbranden, mogelijk aangestoken door jagers-verzamelaars. Het secundaire bos met vooral hazelaar was aantrekkelijk voor het wild waarop werd gejaagd en de hazelnoten waren een belangrijke voedingsbron voor de mens. De aanwezigheid van bewerkbare vuursteen was een reden om tijdelijke kampementen op te slaan. Vuurstenen lagen aan de oppervlakte van het keileemplateau van de Aardjesberg (zie geosite 21) en de smeltwaterafzettingen van het Corversbos (zie geosite 40).

Neolithicum tot Romeinse tijd
De lage gebieden rond het Gooi vernatten in de loop van het neolithicum (samenhangend met veranderingen in het klimaat en het stijgen van de zeespiegel) en raakten begroeid met broekbos en veen. In de Bronstijd vormde het Gooi het uiteinde van een tientallen kilometerslange begaanbare en bewoonbare rug (Utrechtse Heuvelrug) tussen deze moerassige laagten. Verder naar het noorden en westen waren er alleen enkele hoge eilanden (Muiderberg, Wieringen en Texel) die boven de nattigheid uitstaken. De laagten waren begaanbaar in droge perioden en niet uitgesloten is dat men hier jaagde of vee weidde, maar de bewoning beperkte zich noodgedwongen tot de hogere gronden.
Vanaf het neolithicum ging de mens landbouw bedrijven en daarmee meer permanent het landschap beïnvloeden. Vooral vanaf het laat-neolithicum zijn er in het Gooi sporen van landbouwcultuur. Men ging zich vestigen in nederzettingen, akkers aanleggen en dieren houden. Vanaf deze tijd werden de armere zanden meer permanent van bos ontdaan. Net als meer incidenteel in het Mesolithicum was gebeurd ontstond er een begroeiing van heide / schraalgrasland en trad podzolisatie op. Ook nu weer ontstonden plaatselijk zandverstuivingen. Deze gebieden werden steeds minder geschikt voor bewoning en voor tuinen en akkers. Omdat men op deze verarmde gronden bleef beweiden, kwam secundair bos nauwelijks tot stand, waardoor de arme zanden meestal een vrij open landschap moeten hebben gehad, met hooguit plaatselijk enkele boom- en struweelgroepen.

Op de rijkere gestuwde rivierzanden was het bos minder gevoelig voor kap en brand, alsook voor daarmee gepaard gaande bodemverarming. Nederzettingsvondsten, grafheuvels en vroege raatakker systemen op de Hoorneboegse heide (zie geosite 34) wijzen er op dat vanaf het laat-neolithicum deze rijkere zanden tot de favoriete vestigingslocaties gingen behoren. Het landschap bestond waarschijnlijk uit een mozaïek van bosrestanten, kleine akkers, bosweiden, verlaten (en beweide) akkers, heide/schraalgraslandterreintjes en teruggroeiend bos. Pollenanalyses wijzen er op dat vanaf het einde van de Romeinse tijd de bosbedekking gedurende een aantal eeuwen terugkwam. Dit hangt waarschijnlijk samen met een bevolkingsteruggang die gepaard ging met het instorten van het Romeinse rijk.