Het IJsselmeer, het Gooimeer en de Vecht

Het IJsselmeer
Het huidige IJsselmeer is de opvolger van een aantal historische wateren die elkaar in de loop van de geschiedenis opvolgden. In de Romeinse tijd bevond zich op de plaats van de huidige IJsselmeerpolders een binnenmeer, het Flevomeer. Afslag van de venige oevers deed vanuit het Flevomeer een groter meer ontstaan, het Almere. Over dat meer wordt in een document over de achtste eeuw voor het eerst gesproken. Het was, net als het Flevomeer, vermoedelijk nog zoet tot licht brak.

ontwikkeling ijsselmeer
Detail uit de kaart van ’t Graafschap Holland, ca 1726, door Reinier en Josua Ottens. De zanden en diepten van de Zuiderzee zijn erop ingetekend.

Vanaf de achtste eeuw groeide het Almere geleidelijk uit tot een zeearm door verdere afslag van de oevers, overstromingen en een warmer klimaat. Wellicht al in de twaalfde eeuw was er sprake van een echte binnenzee: de Zuiderzee. De diepte van de Zuiderzee varieerde overigens van plek tot plek sterk. Tijdens hoge waterstanden dringt het zeewater de dalen van de Vecht en de Eem binnen waarbij een dunne laag zeeklei wordt afgezet op het veen. Aan de rand van de stuwwal van Huizen ontstaat door afslag een klifkust met aan weerszijden door het zeewater opgeworpen lage strandwallen. De langgerekte tot ongeveer drie meter hoge wal aan de kust van het Gooimeer ten noorden van Naarden, wordt als een door stormen opgeworpen zandrug beschouwd.

Al in de negentiende eeuw werd over droogmaling gesproken. De veiligheid was daarvoor een belangrijke reden, en het ontstaan van nieuwe landbouwgrond een mooie bijkomstigheid. Na de stormvloed van 1916 werd definitief tot afsluiting van de binnenzee besloten die in 1932 werd voltooid. In vele stappen werd de zee afgedamd en delen ervan drooggelegd. De oorspronkelijke plannen voorzagen in vier polders.

Het Gooimeer
Relevant voor de Gooi- en Vechtstreek is vooral de Zuidoostpolder, het latere Zuidelijk en Oostelijk Flevoland, ontstaan na inpoldering daarvan in 1968. Al doende leerde men: de in 1942 drooggemalen Noordoostpolder was direct aangesloten op het vaste land waardoor problemen ontstonden met kwelwater (kweldruk vanuit het ‘oude’ land). Zie voor een beschrijving van kweldruk onder Rol van het water/Grond- en kwelwater. Om dat probleem bij de Zuidoostpolder te voorkomen werd een smalle strook water bewaard tussen het oude land (Noord-Holland, Utrecht en Gelderland) en het nieuwe land (de Zuidoostpolder). Die smalle strook water vormen de zgn. randmeren: het Gooimeer en de Veluwerandmeren. Het Gooimeer grenst direct aan de Gooi- en de Vechtstreek, met Zuidelijk Flevoland aan de horizon.
Met het afsluiten van de Zuiderzee in 1932 en de aanleg van de grote polders in deze voormalige binnenzee verzoet het water opnieuw. Het Gooimeer krijgt een belangrijke functie als waterberging en vormt een aantrekkelijke zone voor recreatieve doeleinden. De zuidoever van het Gooimeer, direct grenzend aan het Geopark Gooi en Vecht, is tezamen met het aan de oostkant daarvan gelegen Eemmeer aangewezen als Natura 2000 gebied (een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden). Samen met het hele IJsselmeergebied is het een belangrijk leefgebied voor watervogels.

De Vecht
Ongeveer 3000 jaar geleden veranderde de Vecht van een klein veenstroompje in een zijarm van de Rijn. De Rijn brak in het zuiden door en nam het oude veenstroompje op in zijn nieuwe route. Deze rivier nam op zijn lange weg vanuit de Alpen grond (grind, zand, leem en klei, afhankelijk van de grootte van de deeltjes) mee. Dat materiaal bereikte niet allemaal de zee. Bij overstromingen stroomde het water over het aangrenzende land en voerde die gronddeeltjes mee. Het zware grind haalde de oevers niet eens, en bleef op de rivierbodem achter. Zand en leem werden dicht bij de rivier op de oevers afgezet, terwijl de kleinere kleideeltjes verder met het steeds langzamer stromende water landinwaarts werden meegenomen. Dat zorgde ervoor, dat op de oevers kleine ruggetjes van zand en leem ontstonden: de oeverwallen. Landinwaarts vormden de kleine kleideeltjes een veel compacter pakket, de zogenaamde komklei in de lager gelegen komgebieden.

De (Utrechts-Hollandse) Vecht ontstond dus als zijtak van de Rijn, en mondde uit in het Oer-IJ, tot enkele eeuwen voor Christus de hoofdafwatering van het Flevomeer. Later werd de verbinding tussen de Rijn en de Vecht verbroken, mogelijk al aan het einde van de Romeinse tijd, en ook daarna heeft men fors ingegrepen in het Kromme Rijn-Vecht systeem bij Utrecht. Door alle landschappelijke veranderingen begint de rivier nu bij de Weerdsluis in de stad Utrecht en mondt bij Muiden in het Gooimeer uit.

De rivier stroomde dus vanaf het eerste millennium vóór Christus door het veenlandschap naar het noorden. Voorbij Abcoude kwam het in een gebied dat ook nog mariene invloed kende. Nog in de Aetsveldse polder ten zuiden van Weesp vinden we rivierkleiafzettingen, ontstaan door inbraken van de zee via het Oer-IJ (zie geosite 4 en geosite 5).

Zie ook:
Thema Geopark
Geologische geschiedenis
De Gooise stuwwallen
Bewoning, landgebruik en landschapsontwikkeling: Het Gooi
Bewoning, landgebruik en landschapsontwikkeling: De Vechtstreek
Menselijke invloeden op het landschap
Rol van het water