Ontginning van veengronden

Onder natte omstandigheden kunnen resten van planten, die in een gebied groeien, niet verteren. Daardoor stapelen dode plantenresten zich steeds verder op, tot er een compact pakket ontstaat dat onder de waterspiegel in stand blijft. Wat voor soort planten er groeien, is afhankelijk van de hoeveelheid voedsel die wordt aangevoerd. Wanneer het gebied onder invloed van rivier- of kwelwater staat, noemen we dat “voedselrijk”. Daar hebben we het over gebieden met bijvoorbeeld elzen en berken. Van een voedselarm gebied spreken we, als er geen invloed van rivierwater of kwelwater meer is. De begroeiing wordt dan uitsluitend door regenwater gevoed. In dat soort omstandigheden kan het plantje veenmos (Sphagnum) groeien, dat na afsterven heel dikke pakketten veen kan vormen. Er kunnen dan zelfs “kussens” in het landschap ontstaan. Het verschil tussen een voedselrijk veen, broek- of bosveen genoemd, en voedselarm hoogveen is dan ook het reliëf. Hoogvenen liggen vaak wat verder van de rivier vandaan.

Omstreeks de tiende eeuw begonnen mensen in West-Nederland met het droogleggen van de enorme veengebieden die daar lagen. Het creëren van nieuwe landbouwgrond was het belangrijkste doel. Door het graven van sloten liep het veen als het ware als een spons leeg. Daardoor kon akkerbouw op het veen plaatsvinden. Een kenmerk van veen is echter dat het langzaam “in de lucht vervliegt” als het wordt drooggelegd. Dat proces noemen we oxidatie. Bovendien zakte het onder het eigen gewicht in elkaar: klink. Daardoor kwam het maaiveld steeds lager te liggen, en werd het gebied ook moeilijker droog te houden. Van akkerbouw ging men over op veeteelt op de grazige weilanden. De klink gaat echter door en leidt uiteindelijk tot de noodzaak van dijkaanleg en bemaling. In de huidige veengebieden ligt het maaiveld thans meestal diep onder het boezempeil.

Zie ook:
Zandwinning
Winning van brandstof
Droogmakerijen en polders
Waterlinies